IJzertijd

IJzertijd

800 tot 50 voor Christus 

De techniek om ijzer te maken was al bekend in de Bronstijd, maar het nieuwe metaal raakte pas vanaf ongeveer 800 voor Christus in gebruik in Nederland. IJzer komt ook in ons land voor, meestal als 'moerasijzererts'. Het wordt gevormd in beekdalen en moerassen.

Er was in de prehistorie meer dan genoeg moerasijzererts om ijzer van te kunnen maken, al was het niet van heel goede kwaliteit. Toch was het voor de boeren die hier woonden een belangrijk materiaal. IJzeren bijlen en punten van ploegen maakten het werk op het land gemakkelijker, en iedereen kon erover beschikken. Waarschijnlijk namen in de loop van de IJzertijd de opbrengsten van de akkers dan ook toe. Daardoor kon ook de bevolking groeien, en daardoor werd de prehistorische samenleving geleidelijk ingewikkelder. Daar valt in de archeologische vondsten trouwens niet veel van te merken.

De mensen bleven voor het grootste deel boeren, die woonden in kleine nederzettingen van één of een paar boerderijen. Ze hielden er vee: vooral koeien, met daarnaast schapen, geiten en varkens. Sommigen hadden paarden (het paard was in Nederland bekend sinds het einde van de Nieuwe Steentijd). Ze verbouwden vooral tarwe, gerst, bonen en oliehoudende zaden.

Net als aan het einde van de Bronstijd verbrandden ze hun doden, maar de urnenvelden raakten omstreeks 450 voor Christus buiten gebruik. Aan het einde van de IJzertijd, in de eerste eeuw voor Christus, namen de spanningen in de samenleving toe, waarschijnlijk door de dreiging van de Romeinen.

afbeelding1